Een oppervlak kan schoon ogen terwijl vuil en micro-organismen zich via handen, doeken of schoonmaakwater verder verspreiden. Goede schoonmaak en hygiëne draaien daarom niet alleen om het verwijderen van vlekken. Ook de volgorde van werken, de verdeling van materialen en het drogen na gebruik tellen mee. Vooral op plekken waar meerdere mensen dezelfde voorzieningen gebruiken, maken duidelijke afspraken het verschil.
Wat is het verschil tussen schoonmaken en desinfecteren?
Schoonmaken verwijdert vuil en een deel van de micro-organismen; desinfecteren inactiveert of vermindert micro-organismen met een daarvoor toegelaten middel.
Voor gewone dagelijkse vervuiling is zorgvuldig reinigen meestal voldoende. Desinfectie kan nodig zijn bij specifieke besmettingsrisico’s of wanneer een hygiëneprotocol dat voorschrijft. Een desinfectiemiddel vervangt schoonmaken doorgaans niet: achtergebleven vuil kan de werking verminderen. Volg daarom altijd de gebruiksaanwijzing en eventuele sectorspecifieke voorschriften.
Maak bij een schoonmaakronde onderscheid tussen 3 onderdelen: het oppervlak, het gebruikte materiaal en de handen van degene die schoonmaakt. Een gereinigde tafel raakt immers opnieuw vervuild wanneer je er een vuile doek of ongewassen hand op legt. Hygiënisch werken betekent dat je die overdracht op ieder onderdeel beperkt.
Hoe voorkom je kruisbesmetting tijdens het schoonmaken?
Je voorkomt kruisbesmetting door van schoon naar vuil te werken en aparte schoonmaakmaterialen voor verschillende gebruikszones te gebruiken.
Begin bijvoorbeeld bij een licht vervuilde werktafel en behandel het toilet als laatste. Werk binnen een ruimte van hoog naar laag, zodat losgekomen stof niet op een al gereinigd oppervlak terechtkomt. Reinig de vloer pas nadat hogere oppervlakken klaar zijn. Keer met gebruikte materialen niet terug naar een schonere zone.
Een praktische indeling bestaat uit 4 materiaalzones: sanitaire voorzieningen, keuken of pantry, algemene werkruimten en vloeren. Kleuren kunnen die scheiding herkenbaar maken, maar er bestaat geen universele kleurverdeling die overal verplicht is. Leg de gekozen indeling vast en bewaar materialen gescheiden. Een kleur heeft alleen nut wanneer iedereen dezelfde betekenis gebruikt.
Let tijdens iedere ronde vooral op deze veel aangeraakte oppervlakken:
- Deurklinken en duwplaten
- Lichtschakelaars en bedieningsknoppen
- Kranen en spoelknoppen
- Gedeelde telefoons en toetsenborden
- Handgrepen van koelkasten en kastdeuren
Hoe gebruik je schoonmaakdoeken hygiënisch?
Gebruik per zone een schone doek, wissel naar een schoon doekvlak en vervang de doek zodra deze vuil is of naar een andere zone zou gaan.
Een doek die je 2 keer dubbelvouwt, biedt 8 werkvlakken die je achtereenvolgens kunt gebruiken. Dat helpt om niet steeds met hetzelfde vuile gedeelte te vegen. Het maakt een doek echter niet onbeperkt bruikbaar: bij sterke vervuiling of een risicovolle schoonmaaktaak pak je direct een nieuwe doek.
Dompel een gebruikte doek niet telkens terug in schoon sop. Daarmee breng je vuil naar de vloeistof en vervolgens naar andere oppervlakken. Werk bijvoorbeeld met vooraf bevochtigde doeken of doseer het reinigingsmiddel volgens het etiket op een schone doek. Controleer eerst of die werkwijze geschikt is voor het middel en het materiaal.
Was herbruikbare doeken na gebruik volgens het wasvoorschrift. Als het materiaal daarvoor geschikt is, is een volledig wasprogramma op 60 graden Celsius een bruikbare keuze voor veel huishoudelijke schoonmaakdoeken. Die temperatuur maakt doeken niet steriel. Laat ze na het wassen volledig drogen en bewaar schone exemplaren apart van gebruikte materialen.
Hoe doseer je schoonmaakmiddelen veilig?
Doseer schoonmaakmiddelen volgens het etiket en meng verschillende middelen nooit met elkaar.
Meer middel betekent niet automatisch een schoner resultaat. Overdosering kan resten achterlaten, oppervlakken glad maken en extra naspoelen nodig maken. Onderdosering kan juist onvoldoende reinigingskracht geven. Gebruik daarom een maatbeker of doseersysteem in plaats van een scheut op gevoel.
Staat op het etiket bijvoorbeeld 20 milliliter per liter water, dan vraagt 5 liter water om 100 milliliter middel. Dit is uitsluitend een rekenvoorbeeld, geen algemeen doseeradvies. Ook de watertemperatuur en eventuele inwerktijd moeten passen bij de gebruiksaanwijzing. Bij desinfectie moet het oppervlak gedurende de voorgeschreven contacttijd voldoende nat blijven.
Meng chloorhoudende middelen nooit met zure reinigers, zoals sommige toiletreinigers, of met ammoniakhoudende producten. Daarbij kunnen gevaarlijke gassen ontstaan. Bewaar producten in hun oorspronkelijke verpakking en zorg tijdens gebruik voor de ventilatie en bescherming die op het etiket staan.
Welke routine houdt schoonmaak en hygiëne op peil?
Een vaste routine met duidelijke taken, risicogerichte schoonmaakmomenten en controle van materialen houdt schoonmaak en hygiëne op peil.
Was je handen ongeveer 20 seconden met water en zeep na toiletbezoek en na het werken met vuile schoonmaakmaterialen. Droog ze vervolgens zorgvuldig. Handschoenen vervangen handhygiëne niet: ook bij het uittrekken kunnen handen vervuild raken. Verwissel handschoenen wanneer je van een vuile naar een schone taak gaat.
Controleer gedeelde ruimten bijvoorbeeld 1 keer per werkdag op zichtbare vervuiling, voldoende zeep en bruikbare droogmaterialen. Dat is een praktisch startpunt, geen universele schoonmaaknorm. Druk gebruik, voedselbereiding of een verhoogd besmettingsrisico kunnen vaker reinigen noodzakelijk maken. Verwijder gemorste vloeistoffen en duidelijke vervuiling direct.
Leg vast wie welke taak uitvoert en waar schone materialen liggen. Controleer na afloop niet alleen het oppervlak, maar ook of doeken zijn afgevoerd, materialen kunnen drogen en middelen veilig zijn opgeborgen. Zo eindigt de schoonmaakronde niet bij een nette ruimte, maar bij een hygiënische uitgangssituatie voor de volgende gebruiker.